Factsheet toestand en ecologische sleutelfactoren (DIPS)

Hoofdlijnen

Beschrijving van het gebied en watersysteem op hoofdlijnen

Groot Mijdrecht is een zogenaamde droogmakerij. De polder is in het verleden (1877) ontstaan door het droogleggen van een meer dat was gevormd door veenwinning en het daarna verder ontwateren en ontginnen van het gebied. De bodem is sterk gedaald en ligt nu op bijna 6 meter Onder NAP. Er treedt een sterke kwel op door de lage ligging. Het water in de polder Groot-Mijdrecht heeft over het algemeen een bruine kleur, veroorzaakt door humuszuren en ijzer in de bodem die met de kwel mee omhoog komen. Het gemaal Winkel pompt het overtollige water uit de polder op de Waver.
Vaarten Groot Mijdrecht (NL11_2_7) heeft watertype “zoete gebufferde sloten” (M1a) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 96 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
2540-EAG-1 (Polder Groot Mijdrecht en Polder de Eerste Bedijking (oost), landelijk)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Utrecht en gemeente(n) De Ronde Venen. Het waterlichaam Vaarten Groot Mijdrecht heeft de status KRW waterlichaam en is in eigendom van particulieren, Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.

Ligging en beeld

Het ecosysteem ziet eruit als onderstaand beeld

Ligging waterlichaam

Ligging deelgebieden

Toestand

Ecologische analyse op hoofdlijnen

De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor sloten met een kleibodem (M1a), met scores voor macrofauna, waterflora en vis in het groen.

De huidige toestand vergeleken met de doelen –ontoereikend
De toestand in Vaarten Groot Mijdrecht (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is ontoereikend. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Macrofauna.

De toestand is zeer soortenarm qua flora en fauna en vooral in 2012 zijn er grote biomassas karper gevangen. De score op de maatlat Waterflora vertoont geen trend. De score op de maatlat Macrofauna vertoont geen trend. De score op de maatlat Vis vertoont een negatieve trend (-0.87 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Deze trend is gebaseerd op twee meetjaren. Fysisch chemische parameters vertonen tussen 2006 en 2019 geen duidelijke trend.

Oorzaken op hoofdlijnen
De oorzaak van deze slechte kwaliteit zijn de hoge ammoniumconcentraties, intensief onderhoud, hoge karperbiomassa’s en dikke sliblagen in het westen van het waterlichaam. De belangrijkste bron van voedingsstoffen is kwel en kan geclassificeerd worden als achtergrondbelasting.

Maatregelen op hoofdlijnen
De maatregelen zijn gericht op verminderen van de invloed van het kwelwater en op natuurvriendelijke inrichting.

Toestand

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Ecologische sleutelfactoren

Ecologische sleutelfactoren

esficon Productiviteit water is geen probleem. Er zijn geen grote hoeveelheden algen, flab/kroos aanwezig in de polder en de ondergedoken waterplanten die in de polder voorkomen zijn soorten van matig voedselrijk water. De verblijftijf in de polder is extreem kort: 2 dagen. De fosforbelasting is dan ook zeer hoog, maar de kritische belasting ook. Deze indicatoren zijn onbetrouwbaar in dit watersysteem aangezien het systeem niet goed te modelleren is vanwege haar extreme omstandigheden. Lokaal waar water tot stilstand kan komen kunnen wel kroos of algen ontstaan. De belangrijkste bron van voedingsstoffen is kwel en kan geclassificeerd worden als achtergrondbelasting. Er zijn een aantal stadsparken die in verbinding staan met het het waterlichaam. De wateren in stadsparken zijn van zeer matige kwaliteit. Rottende bladeren, voer voor eenden, steile oevers, karpers en dikke baggerlagen zijn hiervan de oorzaak. In tijden van neerslag overschot stroomt periodiek zeer zuurstofarm en zeer fosfaatrijk water het waterlichaam in.
esficon Lichtklimaat vormt geen probleem. Er zijn weinig algen en er is sprake van een geringe diepte, dus licht is niet beperkend.
esficon Productiviteit bodem vormt een probleem. Plaatselijk is 20 tot 60 cm bagger aanwezig. Aangenomen kan worden dat de samenstelling niet gunstig is voor de aanwezigheid en/of de samenstelling van waterplanten.
esficon Habitatgeschiktheid vormt een probleem. Op zeer veel plaatsen is het water erg ondiep (behalve in de hoofdwatergang en Waverhoek) zodat er weinig of geen planten kunnen groeien. Vooral in het landelijk gebied komen veel steile oevers voor met wenig emerse vegetatie. Er is sprake van zeer veel kwel, die zuurstofloos is. De verblijftijd is zo kort dat er geen tijd is om zuurstof uit de lucht op te nemen. Daardoor is er een grote zuurstofvraag. Het grondwater is relatief ammoniumrijk door de brakke ontstaansgeschiedenis van de bodem. De lage zuurstof- en hoge ammoniumconcentratie in het kwelwater hebben een negatief effect op (macro)fauna.
esficon Verspreiding vormt geen probleem. De doelsoorten zijn in de omgeving aanwezig en kunnen er ook komen.
esficon Verwijdering vormt een probleem. Plaatselijk is er te weinig oever- en submerse vegetatie, dit duidt op te intensief onderhoud en/of begrazing door vee en/of vraat door kreeften en ganzen. Ook kunnen Karpers de vestiging van emerse en submerse waterplanten belemmeren.
esficon Organische belasting vormt geen probleem. Daar zijn in ieder geval geen aanwijzingen voor.
esficon Toxiciteit vormt lokaal een probleem. In het zuiden van het waterlichaam scoort macrofauna opvallend slecht. In een deel van het gebied zijn potentiële bronnen van toxische stoffen aanwezig. Bijvoorbeeld de RWZI met een persleiding plus overstort die regelmatig loost (naar schatting 7x per jaar), een industriegebied met autosloperijen en stedelijk gebied.

Bron

Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en .

Maatregelen (R)

SGBP 1 en 2 maatregelen die (deels) zijn uitgevoerd

SGBP 1 en 2 maatregelen in planvorming

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn gefaseerd

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn ingetrokken of vervangen

Nieuwe maatregelen voor SGBP3 tov totaal aantal maatregelen

Maatregelen

ESFoordeel SGBPPeriode Naam Toelichting BeoogdInitiatiefnemer UitvoeringIn
esficon SGBP2 2015-2021 Maatregelen landbouw om nutrientenbelasting op de waterlichamen te beperken fase 1 Deze maatregel wordt uitgevoerd in meerdere waterlichamen: Amstellandboezem, Vaarten Ronde Hoep, Vaarten Groot Mijdrecht, Bovenkerkerpolder, Noorderlegmeer, Groot Wilnis-Vinkeveen Zuid, Polder Demmerik, Vaarten Zevenhoven, Tussenboezem Vinkeveen a, Mijdrechtse Bovenlanden, Vinkeveense Plassen, Vecht, Vaarten Vechtstreek, Stichts Ankeveense Plassen, Kortenhoefse Plassen, Spiegelplas, Wijde Blik, Loosdrechtse Plassen, Ster en Zodden, Maarsseveense Zodden en omgeving, Molenpolder en Westbroek Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
SGBP1 2009-2015 Onderzoeken effecten moerasvariant Groot-Mijdrecht Onduidelijke maatregel Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
esficon SGBP2 2015-2021 Aanleg natuurvriendelijke oevers Marickenland Zijn dit moerasblokken geworden of NVO’s? Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
SGBP1 2009-2015 Toepassen ecologisch onderhoud oevers hoofdwateren - fase 1 Een gebiedsbrede maatregel in alle waterlichamen Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
esficon SGBP3 2021-2027 Natuurvriendelijk onderhoud en baggeren van lijnvormige secundaire watergangen Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Agrarisch waterbeheer en de subsidieregelingen: bijvoorbeeld afrastering slootkanten, drinkbakken voor veedrenking, minder frequent maaien, beheerpakketten ‘baggerspuiten’ en ‘ecologisch slootschonen’ Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Toepassen van ecologisch onderhoud en baggeren van hoofdwateren Natuurvriendelijk onderhouden is meestal gericht op niet méér verwijderen dan noodzakelijk is. Dus het beheer aanpassen als er te weinig vegetatie is zodat flora en fauna zich kunnen herstellen. Bij alle hoofdwatergangen van ons gebied is beoordeeld welke uitvoeringsmethode we kunnen en willen uitvoeren. In veel watergangen kan 25% van de vegetatie blijven staan. Vanwege ruimtegebrek is het niet mogelijk om overal 25% te sparen. Deze maatregel is opgenomen voor alle waterlichamen waar dit relevant is. Bij het baggeren zal, waar mogelijk, de oevervegetatie worden gespaard en bij de uitvoering zal worden gekozen voor meer natuurvriendelijke technieken Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Natuurvriendelijk onderhoud van lijnvormige secundaire watergangen: instrumenteel De Keur laat gebiedsgericht minder frequent schonen toe; implementatie gebeurt in bestuurlijk vast te stellen uitvoeringsprogramma’s onderhoud. Deze maatregel is voor meerdere waterlichamen relevant. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027

Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.

Toelichting en onderbouwing ESF-en, monitoring en begrenzing

Motivering KRW status en herbegrenzing

Dit waterlichaam is uitgebreid omdat de toestandsbepaling bij de voormalige begrenzing geen representatief beeld gaf van de ecologische kwaliteit. Er werd gerapporteerd over het minst representatieve gedeelte van de polder. Het belangrijkste argument voor de voorgestelde wijzigingen is vergroten van de transparantie: wanneer er over de toestand in de gehele polder wordt gerapporteerd zijn verbetering of achteruitgang beter te zien. De begrenzing van een geheel afvoergebied is de basis voor de herbegrenzing van dit KRW waterlichaam. Binnen het afvoergebied zijn soms deelgebieden (EAG`s) met ander watertype en/of zeer afwijkende drukken en toestand. Deze zijn niet of als apart waterlichaam begrensd binnen een afvoergebied.

Monitoringswensen

In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt niet gemeten, voor de KRW worden resultaten uit een ander waterlichaam getoond in formele rapportages (niet in deze factsheet) in formele rapportages (niet in deze factsheet). Fytoplankton wordt 1 keer per 6 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam.

Indicatoren ESF

ESF 1: Productiviteit

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

ESF 2 en 4: Lichtklimaat en waterdiepte

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

ESF 1 en 3: Waterbodem

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Brondata: water- en stoffenbalansen

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma`s fysisch-chemie en hydrobiologie

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma waterbodemchemie

EKR scores op alle deelmaatlatten in de tijd

Begrippenlijst en afkortingen

Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.

Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.

Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.

Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.

Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.

GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.

EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.

KRW Kaderrichtlijn water

N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).

EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.

Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.

Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.

Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.

Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.

GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.

SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.

Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.